Thee-ei

29 okt

MjAxMi0zMWY5ODljN2I0ZDA4NTQ2“Is het gelukt?” vraagt mijn lief als ik weer binnen kom.
“Nee, of nou ja, wel een beetje, maar niet zoals ik in gedachten had.”
Ik zet het cadeautje dat ik zojuist gekocht heb op het aanrecht.
“Dit ziet er toch leuk uit?” zegt hij, terwijl hij naar het cadeau kijkt, dat in doorzichtig folie en met veel lint is ingepakt.
“Nou ja, ik was eigenlijk op zoek naar iets anders. Ik had iets anders in m’n hoofd en dan vind ik het zo irritant dat dat niet lukt. Ik zag het gewoon helemaal voor me: een gezellig bakje, doosje of blikje met losse thee erin. Of verschillende blikjes en dan op een dienblaadje. Blikjes met een doorzichtige bovenkant ofzo, zodat je meteen kunt zien wat erin zit. En dat je dan op een etiketje kunt schrijven welke thee erin zit, zoiets. Of van die mini-beugelpotjes. Weet je dan welke ik bedoel? Dille en Kamille heeft die vast wel, dacht ik. En dan koop ik zo’n zakje thee en doe ik er een thee-ei bij. Daar zit meestal een hangertje aan, volgens mij, dat dan uit het glas hangt. Die zijn er dan vast wel in de vorm van een paddenstoel of lieveheersbeestje ofzo, dacht ik. Of een ander schattig figuurtje. Nou ja, ik ben dus bij de Xenos geweest, bij de Dille en Kamille, bij de Hema, maar nergens hadden ze dus zoiets. En toen had ik natuurlijk geen tijd meer om ook nog even naar een leuk blikje ofzo te zoeken. Op het laatst ben ik toch maar naar Simon Lévelt gegaan, daar moest ik toch zijn voor die thee. Ik wilde natuurlijk ook weer niet zo’n gewoon doosje van de supermarkt. Nou, daar hadden ze wel verschillende thee-eieren, maar eigenlijk ook geen leuke. Kennelijk bestaat dat toch niet, wat ik in gedachten had. Wel een heleboel saaie van metaal, zo’n echte in de vorm van een ei, zo’n klassieke, die je dan aan je glas kunt hangen. En eentje met een soort knijpconstructie. Ken je die? Er zit een soort handvat aan en…”
Mijn lief kust me in mijn nek. Ik stop met praten.

“O.”
“Nee, nee, ga door over die thee-eieren,” zegt hij.
Ik schiet in de lach.
“Dank je voor deze interventie.”
Ik kus hem terug.

Advertenties

Zon

1 okt

sunscreenDe zon schijnt. Getver. Het legt zo’n druk op me om de deur uit te gaan. Een zonnige dag schept verwachtingen. “Hup, naar buiten! Het is hartstikke lekker weer!”
Ik voel me weer de puber die liever de hele dag de Sims zit te spelen op de computer, maar mijn ouders vinden dat ik naar buiten moet. Nu ben ik zelf die ouder en vind ik eigenlijk ook dat ik iets moet doen. Maar ik ben moe, ik heb mijn badjas nog aan en de baby slaapt in ons bed en ik ben bang dat hij wakker wordt als ik daar kleren ga uitzoeken. En ik ben moe, had ik dat al gezegd? Rot op met je zon.

Ik scroll een beetje door Instagram en kom langs foto’s van verantwoorde ontbijtjes van havermout met vers fruit, kinderen die van top tot teen gestyled met één stuk designspeelgoed spelen en vrouwen die tevreden selfies maken nadat ze twintig kilometer hardgelopen hebben binnen een uur en er nog steeds beter uitzien dan ik als ik de twee trappen naar mijn huis bestegen heb. Dit alles overigens onder de hashtag #widn. Dat staat voor What I Do Now: wat ben je aan het doen. Een kleine zoektocht op die hashtag leert je dat het allemaal leugenaars zijn. Ik zie in ieder geval nergens een uitgebluste moeder met wallen tot haar knieën en melkspuug op haar schouder. Deze mensen hebben de hashtag, die je als een soort nieuwerwetse kettingbrief van een ander toegewezen krijgt, allemaal bewaard voor een fotowaardig moment. Een moment zonder wallen.

Ik laat mijn hoofd op de bankleuning zakken. Ik zou ook naar het terras kunnen. De peuter achter een groot glas versgeperste jus, schattige zonnebril op haar neusje en zelf een liter espresso. Of naar de speeltuin, van een glijbaan af die voor de verandering eens niet zeiknat is.
Maar vandaag kan ik het niet opbrengen. Geen terras, geen speeltuin, geen park.

Lieve komt aangelopen. “Zit je lekker in ’t zommetje?”
Ze klimt ook op de bank en met haar ogen dicht vangt ze de zonnestralen op haar gezicht. “Mmm, lekker warm.”
Dan laat ze zichzelf weer op de grond glijden.
“Wil je koffie?” vraagt ze. Ik glimlach.
“Ja, graag.”

“Aggelief!” zegt ze als ze het rood met witte stippen kopje van het poppenserviesje voor m’n neus neerzet. Na drie poppenslokjes hoor ik Pepijn pruttelen.
“Pijm is wakker! Mag ik kijken?”

Ze loopt de slaapkamer in.
“Hallo Pijm! Ben je wakker?” zegt ze met een hoog stemmetje.
Ik hoor hoe Pepijn tevreden terug babbelt.
Ik blijf binnen vandaag. Ik heb al twee zonnetjes in huis.

Beer

17 sep

Ik doe een poging weer wat orcharmante_witte_teddybeer_poster-r77f63c5ca1574895a27730a6c8e24118_yxu_8byvr_324de aan te brengen in de stapels kleding van Pepijn. Ik sta de boel een beetje heen en weer te schuiven terwijl ik afwisselend een hoopje kleding in mijn linkerhand en rechterhand heb of tussen mijn kin en borst geklemd houd.
Lieve komt achter me staan.
“Ik wil die,” zegt ze. Ze wijst omhoog naar de knuffels die op de bovenste plank liggen. Met een vragende blik wijs ik naar de mooie egel die ze van mijn zusje heeft gekregen voor haar eerste verjaardag. Zijn stekels zijn gemaakt van allemaal verschillende lapjes stof en hij kijkt ons breed glimlachend aan. Het is een hele mooie knuffel.
“Nee, die!”
Ik zie waar ze naar wijst. Het is Beer. Mijn Beer. De beer die mijn ouders ooit eens bij een pak luiers of ander babyproduct kregen en ze aan mij gaven toen ik een jaar of twee was. Vanaf dat moment sliep ik alleen nog maar met Beer. En met Beer slapen betekende niet dat ik hem in mijn armen hield, nee, ik sliep met mijn hoofd bovenop ‘m, op z’n buik. Tot in de puberteit. Al moffelde ik ‘m dan wel weg als er iemand op mijn kamer kwam.
Je ziet het ook wel. Hij is behoorlijk afgeknuffeld. Op zijn buik is zijn vacht een stuk dunner en op zijn rechterbeentje zit zelfs een klein gaatje.
“Weet je van wie deze beer is?” vraag ik. “Van mij. Toen ik nog een kindje was.”
Ze kijkt me met grote ogen aan.
“Nu ben ik een kindje!” glundert ze.
“Ja, nu ben jij een kindje,” zeg ik.
Ik kijk naar Beer en naar mijn dochter. Zou ik nu moeten zeggen dat zij hem mag hebben? Ik vind het vreemd om te merken, maar ik kan het niet over mijn hart verkrijgen.
“Jij mag ‘m wel lenen,” zeg ik dan en overhandig haar de knuffel.
Ze neemt ‘m liefdevol aan en de rest van de dag zijn ze onafscheidelijk. Ze liggen samen op de bank, zitten samen in de wasmand en drinken samen kopjes thee.
Als ik haar ’s avonds op bed leg zijn alle knuffels gedegradeerd tot een plekje aan de tafel en ligt alleen Beer naast haar op het kussen. Ik geef ze allebei een kus.
“Welterusten Lieve, welterusten Beer.”
Ik doe de deur dicht en stel me een Toy Story-achtig tafereel voor waarbij Beer naar mijn dochter kijkt en haar even wat dichter tegen zich aan drukt. Zijn wang op haar voorhoofd, zijn ogen sluitend.
Beer is niet mooi en duur, maar wel de liefste. Ik zag dat bijna dertig jaar geleden. En nu ziet mijn dochter het ook.

Auto

29 aug

bad parentingDe oudere meneer voor ons is nog maar één centimeter aan de kant gegaan of Lieve stuurt het winkelwagenkarretje vlak langs zijn benen door het gangpad bij de kassa. Ze moest van mij even wachten tot hij plaats maakte. Ik krijg liever geen metalen winkelwagenwieltjes in mijn hielen geramd en ik neem aan dat deze meneer dat ook geen onverdeeld genoegen vindt.
“Nu kan ik wegzetten!” zegt ze terwijl ze langs de lopende band zoeft.
Thuis is ze niet zo enthousiast met het terugzetten van spullen waar ze klaar mee is, maar daar staat dan ook geen superleuke beloning in de vorm van een bewegende auto te wachten.
De automaat staat tegenover de klantenservice. Het is een blauw autootje met een aantal koffers achterop. Je kunt erin zitten en aan het stuurtje draaien, naast een enorme hamster die eruit ziet alsof hij zojuist een hele pot Prozac achterover heeft geslagen. Zijn arm hangt uitnodigend over de leuning van de stoel waar jouw kind kan plaatsnemen. Als je er een muntje ingooit, gaat de auto op en neer hobbelen. Aan de gezichtsuitdrukking van het knaagdier te zien, moet dat een prettige ervaring zijn. Jammer dat ik er niet in pas. Als Lieve haar karretje weg heeft gezet, stapt ze erin terwijl ik de boodschappen afreken.
Ik heb maar weinig boodschappen deze keer, dus ze zit nog maar net als ik al naast haar sta. Haar meteen sommeren er weer uit te komen is een kansloze missie, dus ik pak een Allerhande en blader langs allerlei ingewikkelde lunchrecepten voor mensen met een lunchpauze van drie uur en weinig honger.
Aan de kant van de hamster verschijnt ineens het hoofd van een mevrouw. “Hoeveel moet er eigenlijk in?” vraagt ze. Ik haal mijn schouders op. Voor ik het doorheb, werpt ze een muntje in de automaat. De mevrouw kijkt me glunderend aan.
“Dit was altijd mijn droom als kind! En ik snap wel dat ouders het niet doen,” zegt ze. Ze kijkt naar mijn dochter. Die moet zoals altijd niks hebben van vreemden. Ze draait zich een kwartslag om en zet haar chagrijnigste gezicht op. Ik probeer de boel nog te redden door overenthousiast “dat is lief van die mevrouw!” te kwelen en mijn dochter aan te sporen om dankjewel te zeggen, maar het wil niet baten. Ik vind het sneu voor de mevrouw. Dan laat je een lang gekoesterde kinderdroom in vervulling gaan voor iemand anders en tref je zo’n dwarse peuter. Gelukkig vindt de hamster het fantastisch.

Droom

27 aug

leraarMeestal heb ik ‘m in de laatste vakantieweek, maar nu begin ik morgen met lesgeven en heb ik ‘m nog niet gehad: de lerarendroom.
Ik sta voor de klas en het lukt me met geen mogelijkheid om ze stil te krijgen. Een krioelende massa van zo’n veertig leerlingen beweegt door het lokaal. Ik doe mijn best om hun aandacht te trekken, maar ik ben superklein, ik kom niet uit mijn woorden en ik kan mijn spullen niet vinden. Of alle leerlingen zijn weggebleven. Ik kom het lokaal in en er is helemaal niemand. “Even kijken wat ze doet,” hebben ze tegen elkaar gezegd. Hoe ik dat kan weten vraag ik me in mijn droom niet af.
De omgekeerde versie heb ik ook eens gehad. De leerlingen hadden hun rooster onder ogen gekregen en waren elkaar huilend van geluk in de armen gevlogen. “We hebben mevrouw Windey!” “Echt? O, die is echt goed!”
In het klaslokaal zitten ze allemaal met hun handen onder hun kin en ogen als schoteltjes zo groot naar me te kijken. Ademloos, in afwachting van de fantastische verhalen die ik ze ga vertellen. Je kunt een speld horen vallen. Deze versie vond ik nog wel het engst van allemaal.
Ik ben niet de enige met deze dromen of nachtmerries, ik hoor van meer collega’s dat ze er last van hebben. En degenen die niet dromen, zijn wel op een andere manier gespannen. Drie keer checken of je alles hebt ingepakt, toch nog even de literatuur nalezen en altijd weer die spanning voor de eerste echte les: kan ik het nog wel?
Dit jaar heb ik ook nog een mentorklas. Vorig jaar ben ik gewisseld van school en om meteen een mentorklas onder mijn hoede te nemen leek mij geen goed idee.
Dinsdag begonnen we met een sportdag. Met Jorg kibbel ik wat over of het nou gaat regenen of niet. Hij is ervan overtuigd dat er nog wel een bui valt.
Na een paar uur begint het toch te druppelen.
“Je hebt gelijk, Jorg. Het regent,” zeg ik tegen hem.
“Ik heb altijd gelijk,” zegt Jorg.
“Wat leuk, dan hebben we al iets gemeenschappelijk. Ik ook!”
“Ja, mijn moeder ook. Het zit een beetje in de familie.”
Ik moet lachen en verheug me op de rest van het jaar met mijn klas.
Ik ben benieuwd of ik nog zal dromen vannacht.

Buik

7 jun

dikVroeger had ik een Barbie die zwanger kon worden. Daarmee bedoel ik natuurlijk niet dat je het hele voortplantingsverhaal kon naspelen, want we weten allemaal wat Ken tussen zijn benen heeft. Of eerder, wat hij NIET heeft.
Bij de zwangere Barbie zat een klein baby’tje dat je in de buik van de moeder kon drukken. Die buik werd dan met behulp van een paar springveertjes ingeduwd. Bovenop de baby kon je dan een bolle plastic buik klikken. Nu was je Barbie zwanger en zat er écht een kindje in haar buik.
Ik speelde dat de baby werd geboren. Ik klikte de buik eraf, pakte de baby en *tsjoeng!* met behulp van de springveertjes veerde Barbies buik weer terug naar de vertrouwde sixpack. “Zo gaat dat niet, hoor!” riep mijn moeder dan in een poging me niet op te zadelen met onrealistische toekomstbeelden.
Want nee, zo gaat dat zeker niet. In het begin leek mijn buik meer op een soort ingezakte soufflé. En er waren nog wat gezellige striaestreepjes bijgekomen. Vrouwen die hun striae ‘tijgerstrepen’ noemen, moeten ze voor de echte tijgers werpen. Ik heb helemaal geen zin om een potje te gaan omdenken dat het ‘strepen zijn die je verdiend hebt’, ik vind ze niet mooi. Punt. En al is mijn buik ondertussen geen uitgezakte soufflé meer, een gezellige cupcake is het toch nog zeker.
Aan die strepen kan ik niet zo veel doen, maar die cupcake ben ik toch liever kwijt dan rijk en ik wil voorkomen dat ik nog steeds in een zwangerschapsbroek rondloop als mijn kinderen al naar de middelbare school gaan. Maar ik weiger om in de spaarzame tijd die ik naast mijn baan en gezin over houd, te besteden aan iets waar ik een gigantische hekel aan heb: sporten. Ik rommel dus maar wat met gezonder eten, een klein dansje tijdens het koken en een wandeling maken met kinderen en hond. Mijn lijf heeft er negen maanden over gedaan om zo dik te worden, dus waarom zou ik dan wel binnen een paar maanden alles weer kwijt zijn?
Ik doe mijn best te veranderen wat ik kan veranderen en datgene wat ik niet kan veranderen te accepteren, maar een paar springveertjes zou ik best fijn vinden.

 

Fles

16 mei

borstvoeding3Het is bijzonder om te zien hoe verschillend mijn kinderen zijn. Ze lijken totaal niet op elkaar, niet alleen in uiterlijk, maar in wel meer dingen. Zo was Lieve een echt schrokopje. O wee als je niet snel genoeg was met haar voeding. In alle boekjes staat dat huilen het laatste hongersignaal is, want baby’s smakken eerst een beetje of gaan zoeken met hun mondje. Dat geldt vast voor de meeste baby’s, maar niet voor onze madam. Die zette het meteen op een krijsen, inclusief gebalde vuistjes en rood hoofd.
En zo pinnig als Lieve was, zo rustig is Pepijn. Die wordt wel rustig wakker en ligt gerust nog een half uur naar je te lachen tot hij te drinken krijgt. In die tussentijd kun je makkelijk een flesje opwarmen. Ware het niet dat hij zo’n fles niet zo’n succes vindt. En dat is toch lastig, aangezien ik weer aan het werk ben en dus niet meer live kan voeden.
Wat navragen in de omgeving en op internet levert een aantal tips op:

  • Laat de moeder nooit de fles geven, want bij de moeder wil hij liever ‘the real thing’.
  • Laat de moeder de fles geven, want zij zorgt normaal ook voor de voeding.
  • Probeer verschillende spenen, alle mondjes zijn immers ook anders.
  • Kies voor één speen, de onrust van het steeds een andere speen werkt averechts.
  • Houd een doek erbij met de geur van moeder eraan, dat is vertrouwd.
  • Zorg dat er niets aan de moeder doet denken, want dat is verwarrend.
  • Geef de fles in de wieghouding, net als bij borstvoeding.
  • Geef de fles in een andere houding dan bij borstvoeding.
  • Bied de fles aan op het moment dat je kind wat wakkerder is, dan staan ze meer open om te leren.
  • Bied de fles aan als je kindje net wakker wordt, dan accepteren ze de fles sneller.
  • Geef een fles alleen als hij niet zo hongerig is, anders is de druk te groot.
  • Geef de fles als hij goed hongerig is, dan moet hij wel drinken.

WAT HEB IK DAAR NOU AAN?
Er blijken echt enorm veel soorten spenen te bestaan en ik leer dat ingevroren melk anders smaakt dan ‘verse’, maar nergens vind ik de gouden tip. Wat zou het soms fijn zijn als er een ouderacademie was waar je alles leerde. Met vakken als ‘practicum luiers verschonen met een kronkelende baby’, ‘hoe leg ik een slapende baby in een wieg zonder dat hij weer wakker wordt’ en natuurlijk ‘gegarandeerd je kind de fles laten drinken in 10 handige stappen’. Maar zo’n academie bestaat niet. Er bestaan wel een heleboel tegenstrijdige adviezen die ik allemaal aannemelijk vind klinken.
Het wordt een kwestie van proberen tot we onze eigen gouden tip hebben gevonden. En dat hij het allerliefst bij mij in mijn armen ligt, zal ik maar opvatten als een compliment. Mijn kleine fijnproever.

Zin

10 mei

werkende moederOf ik er weer een beetje zin in heb, wordt me gevraagd. Maandag ga ik weer aan het werk. Ik vond het heel leuk om aan het eind van het verlof van Lieve te zeggen dat ik er weer zo veel zin in had. Ik voelde me een vrouw van de wereld. Zelfstandig, strijdvaardig misschien zelfs. Hé, ik heb dan wel een kind gebaard, maar denk maar niet dat ik mijn onafhankelijkheid opgeef! All the women who are independent, throw your hands up at meeeee!

Ik zat maar de hele dag thuis met een hulpeloze baby in een huis dat maar niet schoon en opgeruimd wilde blijven onder mijn handen. Mijn dagen bestonden uit borstvoeding geven, de vloer stofzuigen en iedere dag weer hopen dat het niet heftig gesneeuwd had (het was toen winter) en ik mijn dagelijkse uitstapje met de hond gewoon kon lopen zonder op mijn hechtingen te vallen.
Ik voelde mezelf een stel wandelende borsten en snakte ernaar om mijn hersenen weer te gebruiken.
Dat heb ik nu eigenlijk niet.
Want ik heb nu een baby én een peuter. En die peuter is echt heel erg leuk. Die baby ook hoor, maar zo’n peuter is wel even andere koek. Daar kun je gewoon gesprekjes mee voeren.
Goed, de oplossing voor de stijgende waterspiegel en wat we nou toch moeten met de financiële problemen van Griekenland hebben we nog niet besproken, maar het is erg leuk om met haar te praten over een vogel die een ‘mestje gaat maken en een eitje maken’. En om samen koekjes te bakken. En om in de lentezon een wandeling te maken en te kijken naar pasgeboren eendjes.

“Ja hoor, ik heb er wel weer zin in. Ik heb er vooral zin in om weer iets anders te zijn dan mama. Dan heb ik weer iets voor mezelf.” hoor ik mezelf zeggen. Maar dat is helemaal niet waar. Ik heb er helemaal geen zin in. Ik vond het nog zo gezellig en lekker in ons coconnetje. Daar heeft Destiny’s Child geen strijdbaar lied over gemaakt. Over hoe je een baby die zich tot de nek toe heeft onder gepoept moet verschonen. Of hoe je een peuter tóch aan het tandenpoetsen krijgt.
Als ik erover nadenk, bij de buien van mijn ene peuterpuber lijkt zo’n klas met dertig echte pubers ineens een eitje. Ik lust ze rauw.

Mooi

6 mei

MooiHet duurt maar twee minuten voor ze door heeft dat ik in de badkamer sta. Ik doe net m’n lenzen in.
“Lieve ook?” hoor ik met een zoet stemmetje. Ik reik haar mijn lenzendoosje aan. Met haar vingertje prikt ze erin. Aandachtig kijkt ze naar de druppel die aan haar vinger hangt en brengt ‘m naar haar oog. Ze doet haar ogen dicht en drukt de vinger op haar oogleden.
“Zo.” zegt ze.
“Ja, mooi.” zeg ik.
“Lieve ook trèm?”
“Ja hoor, pak ook maar een beetje crème.”
Ik draai de pot Nivea voor haar open en met hetzelfde vingertje schept ze er een beetje crème uit. Ze kijkt mij met haar grote ogen aan om in de gaten te houden of ik het niet te veel vind. Dat vind ik niet.
Met de zekerheid van iemand die precies weet wat ze doet, beweegt ze haar handje naar haar gezicht. Een beetje crème op haar neus, haar wangetjes, haar kin en haar voorhoofd. Net zoals ze het haar moeder altijd ziet doen. En net zoals ik het mijn moeder altijd zag doen.
“Lieve piegol kijken?”
Samen kijken we in de spiegel. “Mooi!” glundert ze, ze heeft de crème niet uitgesmeerd. Als kleine toefjes staan ze op haar gezicht.
Als ik de rest van mijn make-up pak, probeert ze het nog eens.
“Lieve ook?”
“Nee, dit is voor grote mensen. Daar moet je nog een beetje groter voor worden.”
“Ja, isse grote mensen.” zegt ze en ze loopt de badkamer uit. In haar kamer zet ze de jurk van haar pop op haar hoofd en trekt ze haar maillot uit. Tevreden bekijkt ze het resultaat weer in de spiegel.
Vanuit de badkamer kijk ik naar haar. Ik denk na over mijn antwoord van net. Wanneer is ze een groot mens? Wanneer mag je kind met make-up in de weer? En waarom gaat ze dat willen? Omdat haar vriendinnen dat doen? Omdat ze haar moeder dat altijd zag doen? Omdat ze zichzelf niet mooi vindt?
Wat kun je toch twijfelen over alles wat je doet als moeder. Geef ik het goede voorbeeld door te laten zien dat ik het belangrijk vind om er verzorgd uit te zien? Of geef ik het slechte voorbeeld en leer ik mijn dochter aan om onzeker over je uiterlijk te zijn?

Ik hoop dat ze zichzelf mooi blijft vinden. Ik hoop dat ze later nog steeds enthousiast ‘mooi!’ tegen zichzelf zegt in de spiegel. Want ze is prachtig. Ook met een poppenjurk op haar hoofd en crème op haar wangen.

Spullen

22 apr

spullenTevreden plof ik op de bank: het huis is weer opgeruimd. Tenminste, het aanrecht is leeg, de was is opgevouwen en er ligt geen speelgoed op de grond. Als ik wat aandachtiger om me heen kijk, zie ik dat in de hoek van de bank een pop ligt te slapen, liefdevol toegedekt met een hydrofiel luier en er staat een verdwaald duplopoppetje op het dressoir. Zijn handje in een verstilde zwaai omhoog, met een veel te groot theekopje uit het poppenservies ernaast.
Ik loop een rondje door het huis en kijk eens goed om me heen. Aan alles kun je zien dat er kinderen in huis wonen. In de keuken staat een kinderstoel, op een plankje aan de muur ligt een kinderzonnebril en op de tafel liggen inschrijfformulieren voor de basisschool. In de gang hangen kinderjassen en er ligt een paar schoenen in maat 24 op de grond met een hoop zand ernaast. In de badkamer staat het babybadje met standaard en al in ons eigen bad geparkeerd, in de beker bij de gootsteen staat een kleine tandenborstel met een nijlpaard erop en natuurlijk staat die eeuwige fles Zwitsal in het doucherekje. Als ik de woonkamer inloop staat daar een box en er slingert altijd wel ergens een speelgoedje. Nu was het een duplopoppetje, maar er staat ook vaak een bordje in de vensterbank waar ik van mijn dochter een ‘pannepoek’ op heb gekregen. In de studeerhoek staan boeken over opvoeden en er staat een gigantische, plastic opbergbox met kinderkleertjes waar ik van een vriendin naar hartenlust in mocht snuffelen. Zelfs in het toilet, wat toch geen balzaal is waar je veel kwijt kunt, staat een opstapje voor als onze madam zelf naar het toilet wil. Nou ben ik niet groot, maar een opstapje heb ik niet nodig. Zo veel rommel, daar kan geen opruimgoeroe tegenop.
Als ik de hond ga uitlaten, snuif ik de frisse buitenlucht in me op. Hier buiten ben ik even niet omringd door al die kinderspullen en kan niemand aan me zien dat ik twee kinderen heb.
Zonder gehinderd te worden door een treuzelende peuter of een zwenkend kinderwagenwiel loop ik mijn rondje. Er waait een grote windvlaag door mijn haren en ik steek mijn handen in mijn zakken. Met mijn vingers voel ik iets in het diepste puntje van mijn jaszak zitten. Ik haal het eruit en kijk ernaar. Het is een klein, rood haarelastiekje met een lieveheersbeestje eraan. Ik stop het terug in mijn zak en glimlach. Ik houd het elastiekje de rest van de wandeling vast.